Welkom bij vanDRAANENadvies. Jouw partner voor het in kaart brengen en ontwikkelen van talent. Assessment & Development, wetenschappelijk, talentgericht, maatwerk.
Hades' oog - het ontwaken van De Morrighan

Over hoe 'De Morrighan'
in mij ontwaakte...

"Vertel eens....", wilde je vragen na het college. Ik vertel...

[ Dit is een tekst die ik schreef als werkstukopdracht tijdens mijn studie tot Transpersoonlijk Counsellor. ]

Inleiding

‘Oproep tot het avontuur’, zo noemt Joseph Campbell het. Wanneer ik ben geroepen? Ach, eigenlijk weet ik dat niet eens precies… Ooit, al vóór ik geboren ben? Toen ik 7 was, Pippi Langkous (wild en eigenzinnig) was, en op mijn kamer een mozaïekje zat te maken, waarbij ik in mijn eigen tijdloze wereld verdween? Toen ik 11 was, en eindeloos kon schommelen, een beweging die me ‘naar daar’ voerde? Toen ik 16 was, en genoot van mijn wandelingen, alleen, in het bos en over de begraafplaats, toevend in een wereld die ‘ik alleen’ begreep, en tegelijkertijd ook weer niet? Want hoe bizar ben je, als je je thuisvoelt bij de dood? God, wat heb ik me eenzaam gevoeld.

Gokspelletjes met knikkers altijd winnen, omdat ik ‘wist’ hoeveel knikkers de anderen in hun handen hadden. ‘Gewoon’ een kwestie van goed kijken naar de handen, en zelf bluffen, vond ik. Telepathische spelletjes spelen, spiritisme ontdekken en daar zo ongelooflijk bang van worden. Voor Nederlandse taal- en letterkunde op de middelbare school een werkstuk willen schrijven over de dood in de literatuur (en daar een ernstig gesprek over krijgen met de docente die dit vreemd vond, en dus maar bedacht dat ik suïcidaal moest zijn… ) Eigenlijk heeft ‘het’ altijd geroepen.

Daleth

En dan…
Een jonge vrouw die haar roep heeft gevolgd, loopt naar de plek waar zij onderricht zal krijgen. Mijn tutor staat aan de deur, laat me binnen. Hij houdt de deur voor mij open en hij Ziet.
En hij zet de Daleth open.
Hades’ ogen boren zich in de mijne, en een diepdonkere, fluweelzachte nacht opent zich in me. Tussen onze ogen bevindt zich een weg, die me even eindeloos als donker schijnt, omgeven door het mooiste midzomernachtlicht. Een vage, zoete herinnering.

Hades zet mij in één zwaai vóór zich in het zadel en ontvoert mij naar de onderwereld. Ik weet letterlijk niet wat me overkomt. Als versteend ben ik, en het duurt een tijd voor ik weer bij zinnen ben. Met mijn wilskracht probeer ik op de aarde te blijven rondlopen, probeer heel hard niet te luisteren naar de roep van Hades. De Persephone in mij is gekluisterd in de onderwereld en verzet zich tegen Hades. Stil verzet, een redeloze angst en tegelijkertijd een weten dat dit noodzakelijk is.

Een jaar gaat voorbij. Een jaar van verwarring en herkenning, een jaar van leren en ‘groter groeien’. Hades blijft Persephone vasthouden in de onderwereld. En Persephone… ach, ze voelt zich hoe langer hoe meer thuis bij hem. Hij wordt haar lief, die duistere, diepe, stille ‘man’ wordt haar zó lief.

En dan, na ruim een jaar, misschien wel jaren, van voorbereiding, verschijnt ze ten tonele: Lilith, de Morrighan… Lilith, die zich jaren ‘gedeisd’ heeft moeten houden, op verzoek van Eva. Gesterkt door generaties van conditionering, voelde zij zich tegelijkertijd oppermachtig en kinderlijk onzeker. Inherent aan haar aard; dienstbaar, zich richtend op de ander, zoekend naar de wens van de ander, zich voegend. Ze werd hiervoor beloond, maar van binnen voelde ze zich geamputeerd.

Wat mist, wÍe mist? Waarvandaan komt die hunkering. Waarnaar is haar ziel zo op zoek, wie is daar woest aan het schreeuwen, krijsen soms,  ‘HOOR MIJ, ZIE MIJ, ERKEN MIJ!’ Soms zo hard krijsend dat het in de buitenwereld te horen was. Dan ging ik zelf, in mijn fysieke hoedanigheid, schreeuwen Woest was ik. Woest om gehoord te worden, om gezien te worden, om begrepen te worden. ‘Chagrijnig’ noemde men dat dan. ‘Onhandelbaar’, ‘moeilijk’, ‘ongrijpbaar’… En: ‘Wat moet er van jou terechtkomen’.

Tijdens de eerstejaars trainingen was het, dat Lilith zich liet zien. Of beter, dat de angst voor haar zich zien, in de vorm van een spontaan beeld van een groot vat, waar het deksel een stukje af was. Langs dat deksel kwam een oorverdovend licht, met de kracht van een omgekeerde stuwraket, omhoog. Ik probeerde uit alle macht het deksel er weer op te krijgen… tevergeefs. Ik was zó bang de Daleth door te gaan, zo bang af te dalen. Ik durfde aanvankelijk zelfs geen – zoals ik het nu zie – eenvoudige visualisaties te doen, bang als ik was voor minstens een psychose. Bang dat Lilith, Morrighan, Ereshkigal, met mij aan de haal zou gaan, mij aan een haak aan de wanden van de onderwereld zou hangen, bang dat de draken en demonen van de onderwereld mij zouden vasthouden en folteren.

Cerberus, met bloeddoorlopen ogen, kwijlend, lag op de loer en ik, lieve brave Eva, Kore, Inanna, was bang, doodsbang verscheurd te worden. En op de andere oever… daar was Hades. Hij stond daar, gewoon zichzelf te zijn, in al zijn donkere eenvoud…

Oer

Een trainingsweekeinde intuïtieve ontwikkeling. Een weekeinde ‘gehoord en gezien’ worden. Een weekeinde ‘bij Hades’. In mijn gezicht in de spiegel, dóór mijn gezicht,  zie ik het gezicht van een oer-oude vrouw, een oude natuurvrouw. In mijn dagelijks leven loopt nu het een in het ander over. De Hades in jou, mijn lieve tutor, had mij bij m’n kladden en als ik jou zag, als jij mij Zag, was ik in de onderwereld, een plek waar ik eigenlijk zo graag was, eigenlijk altijd al, maar waar de wereld niet mee om kon gaan. Een wereld die er niet mocht zijn, waar men bang voor was. Waarvoor ik geleerd had bang te zijn. Maar de Hades in jou is niet bang. De Hades in jou bewoont die wereld.

Steeds, vooral als ik er het minst op bedacht was, sprak Hades mij aan, mompelde in mijn oor iets over schoonheid - van Persephone, van Aphrodite? - of kéék alleen maar, raakte me even aan en blies een kus in mijn nek. Steeds zag ik Hades’ ogen mij volgen, zag ik zijn verschijningsvorm in andere mensen, herkende ik zijn blik, zijn oogopslag, in anderen… Zelfs voor mijn geestesoog verschijnt het oog van Hades, en ik probeer hem wanhopig te verstaan…

Een droom

“Ik kijk in een diepe poel, zwart, een poel die de vorm heeft van jouw hoofd. Ik verwacht een lelijk eendje weerspiegeld te zien (letterlijk), maar de poel weerspiegelt de aanblik van een bijna-volwassen zwaan…
Ik ben stomverbaasd. Ben ík dat? Waar is dat eendje gebleven…”

Ik lees een reeks boeken over de (donkere) kracht van de vrouw, vanuit de indiaanse traditie. En ik lees ‘Het boek Lilith’. Dit boek heeft me letterlijk de tranen over de wangen doen stromen. Ineens herkende ik haar, zij, die al die jaren in mij heeft geschreeuwd, geroepen, gesmeekt en gehuild. Wat heb ik haar, wat heb ik mezelf aangedaan haar zó te miskennen. Ik lees meer over haar in die andere vorm, in de kracht van de sjamanka in mij, de oude vrouwelijke krijgerkracht van de indiaanse traditie. Een oer-intuitie, een oer-magie, die in mij verborgen lag, en die nu mag en kan ontluiken.

In mijn droomdagboek van jaren geleden staat: “Als ik me in gedachten (ervaren) verbind met Lilith dan voel ik Kracht. De kracht van het vuur in mij. De Kracht waar ik zo bang voor ben geweest, ‘het vulkaantje’ zoals mijn acupuncturist zei. De zwarte slang die verdwijnt in het donkere water van de kom…. (dit had ik 3 dagen daarvoor gedroomd). Hierin zit mijn heling. God, wat ben ik ooit geconditioneerd… Ooit was ik een hele vrouw. Maar hele vrouwen, die waren te sterk, te intuïtief, te opstandig, te zelfstandig. De vrouwen die getolereerd werden waren lieve, zachte, onderdanige, dienstbare vrouwen. Als ik dat samenvoeg met de beelden die ik had over de inquisitietijd… De reden dat ik niet wéér wilde incarneren? De reden voor mijn ‘nee’… Heb ik toen het besluit genomen dat ik m’n nek niet wéér wilde uitsteken. Hebben ‘ze’ me eindelijk gebroken? In de verbinding met dat gevoel voel ik woede. Verdomme, hebben ‘ze’ me dan toch gebroken? Nee! Dàt wil ik niet!!

(…) Ik lees in ‘Lilith’ op pagina 53: …‘de initiatie van de vrouw die enkel heel kan worden op voorwaarde dat ze de verbinding met haar wortels herstelt. Wortels uit de pre-patriarchale tijd, toen de Moedergodin nog een levende werkelijkheid was’. 
Is dit de oer-vrouw die zich vorig jaar na het intuïtieve weekeinde liet zien in mijn gezicht? Durven vertrouwen op Hekate, de godin van de onderwereld!!”

Een jaar is voorbij gegaan

Weer een trainingsweekeinde in mijn opleiding. Moment om stil te staan, te kijken naar waar ik vandaan kom en waar ik naartoe ga. Dit weekeinde is een lange reis in de Droomtijd, over grasvlaktes, door bossen en langs bergen. Het is een reis van inwijding gebleken.

“Ik ga op reis met mijn krachtdier, Wolf. Hij laat mij de helende hartslag van Moeder Aarde ervaren, door mij met mijn buik plat op de grond te laten liggen. Als ik later met hem op reis mag, leidt hij mij het woud in. Daar laat hij mij alleen. Ik zie hem weglopen. Ik loop zo wat rond in het woud, niet wetend wat te doen, wat van me verwacht wordt. Ik zie plots een oeroude stenen trap, die de grond in verdwijnt. Onder aan die trap is een stinkende, zwarte rivier. Ik loop de trap af, pak een houten indianenkom, schep die vol met het stinkende water en loop naar boven. Daar drink ik van het water en hef de kom hoog boven mijn hoofd. Het water is helder geworden. Ik giet het uit over mijn hoofd. Een wortel van de boom is een kano geworden. In die kano vaar ik over het meer naar het kamp op de oever. Het is een tijdelijk kamp, speciaal gebouwd voor dit ritueel. Ik word verwelkomd door mijn stamgenoten. Ik krijg een ketting om en word het kamp ingeleid. Ik heb de test doorstaan;  ik ben Wolfvrouw.”

Later begreep ik pas dat dit de rivier de Styx moet zijn. Hier had ik nog nooit van gehoord. Nog mooier werd het toen ik tijdens het college ‘mythologie’ hoorde over de geheime rituelen die ooit plaatsvonden ter ere van Demeter, in dat plaatsje ten noordwesten van Athene.

“Die mensen dronken uit de Styx”, zei mijn tutor… Hij zei: “Als we sterven, drinken we uit die rivier en herinneren we ons weer dat we terugkeren. Als we gedronken hebben gaan we weer ont-dekken wat toegedekt ligt. Dan doet alles wat in ons leventje aan licht en duister gebeurd is er niet meer toe.” 
Zachte tranen welden op, toen hij dat vertelde. Tranen van herkenning, en tranen van troost. Troost van de kracht van het collectief onbewuste, de kracht van archetypische beelden, die er gewoon zijn.

Terug naar het weekeinde. Bij de holotropic breathing-oefening zie ik hem weer, ‘Hades’… “Ik lig op de grond, met mijn krachtdieren om me heen. Mijn oude huid, mijn oude lichaam, past niet meer. Ik stap eruit, licht, transparant bijna, krachtig. Mijn oude lijf begraaf ik liefdevol onder rode aarde en wat stenen. Ik kijk op, en zie oeroude, wijze en oneindig diepe ogen me aankijken vanuit een verweerd mannengezicht. De sjamaan zegt, met donderend stille stem, enkel het woord ‘Sjamanka’.”

Een andere oefening, een andere inwijdingsrite, één die hij leidt. “Dit is een oude inwijdingsrite, van sjamaan tot sjamaan”, zei hij… Dit besef, deze synchroniciteit, brengt een diepe ontroering. De ‘bevestiging’ van het beeld van de oude sjamaan, die mij ‘sjamanka’ noemt… Ik herken Hades, die Persephone roept. 
Ik heb dit ritueel eerder dat jaar in een droom al beleefd: “Mijn lichaam is dood. Het is half vergaan, en wordt in de grond gelegd, half dwars aan de oppervlakte van een graf. Mijn hoofd is een klimop en blijft boven de grond. Het is een mooi ritueel, heeft helemaal niets gruwelijks. Mijn lichaam wordt liefdevol toegedekt met aarde, zwarte aarde…”

Gedurende dit proces in de tijd raak ik er steeds meer van overtuigd van, of liever, word ik steeds minder bang voor het bestaan van een andere werkelijkheid. Een droomwereld, die voor mij  meer en meer concreet gaat  aanvoelen. Door de boeken van Lynn Andrews, die schrijft over haar eigen inwijding tot sjamaan bij de Cree-indianen in Canada, herken ik iets dat de oude indianen, de oude Grieken en wie eigenlijk niet, al heel lang wisten: de onderwereld, de Droomwereld, de magische wereld… het is allemaal hetzelfde, en het bestaat echt!

Eigenlijk zeg ik het niet eens goed. Ik bedoel geloof ik meer dat ik ‘die wereld’ altijd heb afgedaan (heb moeten afdoen, wat ik overigens blijkbaar nodig had) als ‘fantasie’ en ‘dagdromerij’. De beelden, de reizen die ik gemaakt heb… ‘Een fantasierijk kind, een dromertje’. Daarom heb ik nooit geleerd erin te geloven, ermee te werken, heb ik nooit geweten dat die wereld een hele reële wereld is, die in andere culturen zo hoog wordt aangeschreven, en heeft het toen niet tot volle wasdom kunnen komen.
Het is voor mij nu zo echt en concreet geworden dat ik af en toe verbaasd ben dat anderen, die ik in Dromen gezien heb, daar in onze gedeelde werkelijkheid geen weet van schijnen te hebben…

“…Als een Persephone-vrouw in de diepten van haar eigen psyche is afgedaald, de archetypische wereld heeft verkend en door deze ervaringen niet bang is geworden ernaar terug te keren,  kan ze voor anderen een bemiddelaarster worden tussen de gewone en de ongewone werkelijkheid. (…) Ze kan een uitstekende therapeute en gids zijn, die anderen in contact kan brengen met de diepere delen van hun psyche en hen kan helpen om datgene wat ze daar aantreffen te gaan begrijpen en er symbolische betekenissen in te ontdekken”.[2]

In het college zei de professor dat Inanna, als ze is afgedaald, niets meer heeft en naakt is, symbolisch haar eigen baarmoeder in treedt. Ik heb dit gedroomd! Hij vertelde mijn droom! Ik droomde, dat ik binnenstebuiten, of eigenlijk liever gezegd, buitenstebinnen, keerde, met mijn hoofd ter hoogte van mijn hart naar binnen ging en door mijn eigen schoot geboren werd. In het college zei hij: ‘… zo heeft ze de verbinding met de werelden gelegd, zo heeft ze door de Eros-kracht de werelden met elkaar verbonden…’ Wat  me op dat moment ontsnapte, was de ‘oerzucht’… “aleph”… ‘het goddelijke krijgt verbinding’.

Conclusie

In mijn droomdagboek staat: “Steeds maar zie ik vandaag dat oude native-gezicht voor me, dat ik vorig jaar in mijn eigen gezicht heb gezien. Een verweerd gezicht, met oneindig diepe en krachtige ogen” (…) Heb het gevoel dat ik mijn tutor wil vragen of hij me mee op reis wil nemen, of hij me mijn wereld wil laten zien. Ik heb hem nog nodig als reisleider, ik weet de weg nog niet goed. Of ik bang ben alleen? Nee. Ik denk alleen dat ik de tijd niet kan nemen. Bij hem heb ik die tijd wel.”

Ik snapte het maar niet, dat gevoel, dat verlangen… Ik hoorde, maar ik verstond niet. Ik zag, maar ik begreep niet. Ik voelde, maar ik Wist niet. Die twee lange jaren…Wat móest ik toch met hem? Terwijl ik ook wist dat hij het niet persoonlijk was, als man, hoe dierbaar hij me ook is. We hadden een tijdje terug een voor mij lastig gesprek gevoerd over projectie, ‘psychologisch jargon’ waarvandaan hij toen niet wilde werken. Het gesprek ging uiteindelijk over op een ander onderwerp - hij vertelde me over de subtiliteit en de kracht van de vrouwelijke energie - maar voerde me weg van hem, en weg van mijn projectie…

De eeuwige zielestrijd van de mens, die zichzelf kwelt, de begoochelde mens, verstrikt in het net van zijn eigen onbeduidende dwaasheid, gefrustreerd terwijl toch in hemzelf het geheim van de verlossing – onontdekt, volkomen ongebruikt – schuilt…”[3]

Ik las in de zomervakantie de boeken ‘Godinnen in elke vrouw’ en ‘Goden in elke man’. Artemis, Persephone~Kore en Persephone~Hekate , Aphrodite, het oog van Hades en de woorden van Hermes… Deze ‘gevoelens’, de karakterstructuren die ik herkende in mezelf, kregen ineens namen, gestalten. Ik herkende o.a. mijn proces van Eva en Lilith in de twee aspecten van Persephone: Kore en de koningin van de onderwereld. 

Later las ik over Hades, en over Hermes.
“Hee... da's mijn tutor…”, dacht ik nog.
En toen… 

Toen schoot de bliksem van inzicht door me heen.
Ineens zag ik het hele plaatje, had ik het overzicht. De goden en hun relaties buitelden door mijn bewustzijn. Ik had het niet door. Het lag al die tijd voor mijn voeten, en ik had het niet door: “Door gebrekkige ogen gezien is (de vrouw) tot een inferieure staat teruggebracht; door het boze oog van de onwetendheid is zij als door een betovering gebonden aan banaliteit en lelijkheid. Maar zij wordt verlost in de ogen die met begrip kijken.” [4]  De ogen van Hades, die ik dóór zijn ogen zag… Hades, die natuurlijk ook in míj leeft…

De projectie was compleet: “De held die haar ziet zoals zij is, zonder overmatige emotie, maar met de vriendelijkheid en de bemoediging die zij nodig heeft is potentieel de koning, de vleesgeworden god van haar geschapen wereld” [5] 

Persephone heeft de pijnappelpitten gegeten, uit eigen vrije wil, en heeft zich daardoor aan Hades gebonden. En ze zijn elkaar lief… Want “wanneer de avonturier in deze context, geen jongeman maar een jonge vrouw is, is zij degene die door haar eigenschappen, haar schoonheid of haar verlangen geschikt is de gemalin van een onsterfelijke te worden. Dan daalt de hemelse echtgenoot naar haar af en leidt haar naar zijn bed – of zij wil of niet. En als zij hem heeft afgewezen vallen de schellen van de ogen; als zij hem gezocht heeft wordt haar begeerte vervuld.”[6]’

Het is mij zo duidelijk geworden. Tijdens dat college vielen de allerlaatste stukjes op hun plaats. De ‘lading’ is eraf, de spiegel van het leven heeft me de bewegingen van het ongekende in mij laten zien, een verbinding is gelegd…

“Dan vallen de schellen weg, en kan het Licht gedragen en verdragen worden.”[7]

De Morrighan is ontwaakt. 

Nawoord

“De goden en godinnen dienen dus opgevat te worden als belichamingen en behoeders van het elixer van het onvergankelijke leven, zonder dat zijzelf het uiteindelijke in zijn oerstaat zijn. De held zoekt door zijn omgang met hen daarom in de laatste instantie niet henzelf, maar hun genade, dat wil zeggen de kracht van hun energiescheppende substantie. Deze wonderbaarlijke energiesubstantie, en alleen deze, is het Onvergankelijke; de namen van de verschijningsvormen van de godheden, die deze overal belichamen, schenken en vertegenwoordigen, komen en gaan. 

Dit is de wonderbaarlijke energie van de bliksemschichten van Zeus, Jahweh en de Opperste Boeddha, de vruchtbaarheid van de regen van Viracocha, de kracht die tijdens de mis wordt aangekondigd door het luiden van de bel bij de consecratie, en het licht van het uiteindelijke inzicht van de heilige en de wijze. De bewaarders ervan durven hem slechts te schenken aan degenen die naar behoren op de proef zijn gesteld”[7]

Aan mij nu de taak terug te keren naar ‘het rijk van de mensen’, waar ‘mijn gave kan dienen om de gemeenschap, het volk, de planeet of de tienduizend werelden te vernieuwen’.[8]

Literatuurreferenties en noten

Literatuurreferenties:

  • Godinnen in elke vrouw, Jean Bolen (uitgeverij Lemniscaat)
  • Goden in elke man; Jean Bolen (uitgeverij Lemniscaat)
  • Het boek Lilith; Rosa Wouters (uitgeverij Allmedia)
  • De held met de duizend gezichten; Joseph Campbell (uitgeverij Olympus)
  • Het groot heksenboek; Laurie Cabot (uitgeverij De Boekerij)


Noten:
[1] De Keltische naam ‘Morrighan betekent ‘Grote Koningin’. Ze wordt altijd volledig bewapend met een speer in elke hand afgebeeld. De Morrighan verandert net als haar twee zusters, Macha en Badbh, dikwijls in een zwarte kraai, en verschijnt ook dikwijls als een kraai op het strijdtoneel. Haar kreet is zowel woest als onweerstaanbaar en er is van gezegd dat hij zo luid en indrukwekkend is als de kreten van tienduizend krijgers. In de Keltische mythe is de kreet van de draak een angstaanjagende schreeuw die uiting geeft aan der veronachtzaming of verwaarlozing door onwaardige koningen. De draak is ook weer een Keltisch symbool voor de godin. Wanneer de draak huilt, is dat niet zozeer een klaaglijk schreien als wel een afschuwelijk gekrijs van ondraaglijke smart en verraden-zijn. De Morrighan bezit een soortgelijke gevoeligheid. Ze bezit het vermogen tot beschermen en koesteren, maar verwerp haar of verraad haar en ze is net als de draak niet meer te kalmeren. (Uit: Het Groot Heksenboek van Laurie Cabot) 
[2]  ‘Godinnen in elke vrouw’, Jean Bolen, pagina 220
[3] ‘De held met de duizend gezichten’, Joseph Campbell, pagina 137 (inwijding, apotheose)
[4] idem, pagina 102 (inwijding; de ontmoeting met de godin)
[5] idem, ook pagina 102
[6] idem, pagina 105 (inwijding; de ontmoeting met de godin)
[7] Citaat uit het college ‘Joodse mystiek’ van 7 september jl.
[8] ‘De held met de duizend gezichten’, Joseph Campbell, pagina 153 (inwijding; het uiteindelijke geschenk)
[8] Idem, pagina 164 (de weigering om terug te keren